Een schrijver hoeft niet altijd een groot oeuvre te hebben om toch tot de beste van zijn land gerekend te worden. Tijdens zijn leven publiceerde Nescio vijf boekjes, die samen één boek van ruim 300 bladzijden zouden vormen. Maar De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje zijn wel erg mooie verhalen, geschreven in een sobere stijl en met een prachtige melancholieke sfeer.

Maar in zijn nalatenschap bevond zich nog heel wat meer. Daardoor kon in 1996 eindelijk het Verzameld werk van Nescio verschijnen. De twee delen samen brengen ons bijna elfhonderd bladzijden van deze schrijver, meer dan drie keer zoveel dan er tot nu toe was. Voor de Nescio-liefhebber moet dat een hoogtepunt in het leven zijn geweest. Zelf ben ik geen Nescio-dweper, maar De uitvreter en Titaantjes reken ik nog steeds tot het beste wat de Nederlandse literatuur heeft voortgebracht. Omdat ik gevoelig ben voor een mooi uitgegeven echt gebonden boek kocht ik in 1996 de twee delen Nescio. Het tweede deel bleek Natuurdagboek te heten. Hierin beschrijft Nescio de tochtjes die hij na zijn pensioen door heel Nederland maakte. Eerst in telegramstijl, later iets uitvoeriger, maar nooit overdadig en bloemrijk. Nescio is altijd de sobere schrijver gebleven, die met zo weinig mogelijk woorden zo veel mogelijk wil zeggen.
Terwijl ik door het Natuurdagboek bladerde zag ik meteen dat Nescio ook af en toe in de Achterhoek en Liemers was opgedoken. Laag Keppel, Kilder, Zeddam, het Montferland, Doesburg zijn de namen die je ziet opduiken. Sinds ik zo nu en dan een literaire zwerftocht maak voor Camenzind wist ik dan ook dat ik een keer in de voetsporen van Nescio zou treden.
Twee weken geleden ging ik eindelijk met Steven van den Brand naar Elten, waar Nescio verschillende keren was geweest. Soms voor één dag, soms voor een paar dagen. Het Natuurdagboek werd geschreven van 1946 - 1955. Door de grenscorrecties na de Tweede wereldoorlog hoorde Elten in die periode bij Nederland. In de jaren zestig werd Elten aan Duitsland terug gegeven. Het is echter een echt grensplaatsje gebleven, met Nederlandse en Duitse invloeden, dat aan de rand van het Montferland ligt.

We parkeerden de auto op het plein midden in het dorpje. Onmiddellijk viel ons oog op een statig wit pand met het opschrift 'Logement het Oude Posthuis' in grote letters op de gevel. Hier op het plein kwam Nescio ook in 1950 aan: 'Bus naar het pleintje in Elten, daar om kwart voor twaalf, koffie gedronken met brood en ei en gewandeld naar Hoog Elten. Groot stuk Rijn. Limonade bij het 'Kurhaus' en teruggewandeld. Op het pleintje onder den lindenboom op de bus van kwart voor 2 gewacht (bank rondom den lindenboom, verder kastanjes op het pleintje en accacia's langs het straatje). (...) Elten uiterlijk veel meer Hollandsch dan in 't najaar. Twee 'bondshotels' en overal Douwe Egberts, Van Nelle, borden van Nederlandsche verzekeringsmaatschappijen, 'fietsenstalling', 'reparatie-inrichting' enz. Kleeren van vrouwen en kinderen als overal in Nederland. Telkens een marechaussee op de fiets (3x) en 1 x één op motorrijwiel. Er was processie geweest. Hollandsche vlag aan het raadshuis. Op die muur stond nog steeds gekalkt: 'Treu Deutsch. Bleiben was wir sind oder Communisten'. Iedereen overigens vriendelijk. Nog altijd dat negentiende eeuwsche opschrift in groote letters op een tolhuis aan de markt: 'Het oude posthuis bij W. (?) Goyen'.'

De bank om de boom onder de linden is er nog steeds, want van daaruit begonnen wij naar Hoog Elten te wandelen. Dat ligt zo'n kilometer verderop en de wandeling bestaat vooral uit een beklimming van de stuwwal waarboven op Hoog Elten ligt. Ik was er nog nooit geweest, Steven wel, lang geleden samen met zijn vader, tijdens een dagtochtje. Elten was in de jaren vijftig een geliefde plaats voor toeristische uitstapjes. Boven op de stuwwal stond toen nog een uitzichttoren, van waaruit Montferland, Rijndal en het rijk van Nijmegen fraai waren te zien. Terwijl we de stuwwal beklommen, met mijn matige conditie toch nog aardig inspannend, vroeg Steven zich al af of de toren er nog zou zijn. Nescio praat er niet over in zij'n Natuurdagboek.

De schrijver is ook al eens in 1949 met een bus naar boven gereden. 'Prachtige rit den Elterberg op, grootsch panorama met Rijn, Veluwe, Nijmeegsche en Cleefsche heuvels. Van 'Kurhaus' nog alleen de muren over met de gaten van de ramen. Groot stuk Rijn Duitschland in en links Duitsche Vlakte. Mij de nieuwe grens laten aanduiden (kopje thee gedronken op het terras van het gewezen 'Kurhaus'). - 1/2 4 naar beneden, door Elten naar Beek.' Het uitzicht is op verschillende punten, terwijl je de stuwwal beklimt, fraai. Het mooist is het uitzicht echter even achter de kerk die boven op de stuwwal staat. Toch konden we er niet goed de Rijn zien, maar misschien lag dat aan het licht of aan onze ogen, wie zal het zeggen. Na het uitzichtpunt bereikten we een grote parkeerplaats, die Steven onmiddellijk herkende. Hier was de bus gestopt, toen hij hier met zijn vader aankwam. Meteen begonnen we uit te kijken naar de toren, maar die zagen we niet. Wel was er dat 'Kurhaus', inmiddels allang weer herbouwd, met een terras met uitzicht. Maar we zagen meteen dat er alleen maar chique mensen welkom zijn. Wij namen daarom maar een verfrissing op een sober terrasje bij een midgetgolfbaan. Daar vertelde de uitbaatster Steven dat de toren niet lang na zijn tochtje in de jaren vijftig al was afgebroken. Zij, toch een vrouw van middelbare leeftijd, herinnerde zich de toren alleen nog van foto's.

De afdaling maakten we via een andere weg, deels door het bos, waarin we op een bizar monument stuitten van enorme grootte. Het was ooit in de Nazi-tijd opgericht om de slachtoffers van de Eerste wereldoorlog te herdenken. Na de Tweede Wereldoorlog heeft een kunstenaar het monument uitgebreid, waarna ook de slachtoffers van de Tweede wereldoorlog konden worden herdacht. Maar de protserigheid is gebleven en op de een of andere manier vond ik het monument zeer typerend voor totalitaire staten, zoals het Nazi-Duitsland. Het was daarom vooral een plek tegen die stuwwal aan om je te verwonderen over heden en verleden.
Terug in Elten liepen we via een villawijk, ook hier hebben de mensen het goed, naar het pleintje, waar we dit keer plaats namen op een terras bij een hotel, waar we een biertje en een glas bronwater dronken. Terwijl Steven foto's maakte van het pleintje, bladerde ik weer door het Natuurdagboek. Even later kon ik Steven een mooie passage uit 1950 voorlezen: 'Bus naar Elten, kamer genomen bij 'Wanders' aan het pleintje. Den berg halfweg opgegaan met onweer in de verte (achter den berg). Teruggekeerd, gegeten in het hotel, voor het hotel gezeten. Bus van kwart voor achten naar Lobith, 'Tolkamer' en Spijk. Fantastisch gezicht op den Elterberg, steeds wisselend, en later op den Rijn (Rijn, Elterberg, dorpen aan den overkant, heuvels van Cleef met stompe restant van den Zwanetoren). De bus draaide op het terrein van een steenbakkerij aan het eind van de wereld en wachtte toen leeg, 10 minuten, op den dijk, geen publiek, geen dorp, nix. Kwart voor negenen terug in Elten en verder voor het hotel gezeten met thee tot over ½ 11. Pleintje stil en ten slotte geheel verlaten in het donker. Geen straatverlichting, hier en daar door de boomen een licht in een huis, 1840. Een merel floot. Spookbus, zonder licht van binnen, met geraamte aan het stuur en z'n geliefde bij 'm. Later nog zat Schubert op de bank onder den lindenboom, heel melancholiek (bank heelemaal rond de linde). Onweer.'

Zou dat hotel hier nog ergens zijn, vroeg ik. Kijk eens achter je, zei Steven. Pas op dat moment zag ik dat we bij hotel Wanders op het terras zaten. Voor Steven was het reden om op nader onderzoek te gaan. Misschien hebben ze nog een gastenboek, waarin zijn naam staat, zei hij. Een tijdje later kwam hij terug met de eigenaresse, voor wie ik de passage nog een keer voor las. Ze vond het wel aardig, dat hier ooit een bekende Nederlandse schrijver had overnacht, van wie ze overigens nog nooit had gehoord. Nee, het hotel zag er niet meer uit zoals in de jaren vijftig. En dat gastenboek? Dat was er waarschijnlijk nog wel, maar daar wist haar man meer van. Misschien dat die zo nog kwam. Helaas was dat niet het geval, maar de oudere gedeelten van het hotel fotografeerde Steven in ieder geval. Waarschijnlijk hing daar nog wel iets van de geest van Nescio rond.

In 1951 heeft Nescio nog eens bij het hotel gelogeerd. In de jaren erna kwam hij er alleen weer voor dagtochtjes. In 1952 schrijft hij er de laatste keer over: 'Een bus overgebleven in Elten en 2 sneedjes brood met ham, koffie en zacht eitje, rijk. Kastanjetjes op het pleintje bloeiden, waarvan 2 roode. 1 uur 45 terug naar Zevenaar. Weer de twee torens van Elten.' Wij vertrekken om 16.45 uur. Buiten Elten gaan we in navolging van Nescio meteen rechts de weg naar Stokkum op. Helaas blijkt de weg vlak voor de grens 'doorgeknipt'. Alleen voetgangers en fietsers kunnen verder. Misschien moeten we dat een volgende keer maar doen. Wandelen vanuit 's Heerenberg, waar Nescio ook over heeft geschreven, via Stokkum naar Elten. Daar overnachten we in het oude gedeelte van hotel Wanders. 's Avonds zitten we op het terras voor het hotel en als het gaat schemeren zien we daar opeens weer een beeld (of is het een oude man die heel erg stil zit?) op de bank onder de linde. Het is Nescio, die weer even is teruggekeerd naar Elten.
De foto's zijn gemaakt door Steven van den Brand. De foto van het beeld van Nescio is afkomstig van Wikipedia.
De Nescio-tocht vond plaats in 2004. Het verhaal hierover is toen ook geschreven, maar nooit eerder gepubliceerd
|