| Natuurgeschiedenis | In vogelvlucht |
24.04.10 | categorie: Natuurgeschiedenis
|
Al jarenlang lopen vele mensen rond in de natuur van Winterswijk. Je zou denken dat inmiddels dan ook wel bekend is, wat er allemaal aan planten en dieren te vinden is. Maar dat valt nog wel mee, hoewel een aantal bekende natuurgebieden keer op keer aan uitgebreide onderzoeken is onderworpen. Nog minder bekend is wat er ooit allemaal gevonden is. Er zijn vele verslagen, artikelen en rapporten over de Winterswijkse natuur verschenen, maar vaak weten er maar weinigen van. In deze serie zal ik daarom meer vertellen over de geschiedenis van de natuurstudie en de natuurbescherming in Winterswijk. Ik begin met een inleiding, waarin ik alvast een aantal markante figuren en gebeurtenissen aanstip.

De natuurstudie in Nederland is in de 19de eeuw pas goed op gang gekomen. Winterswijk bleef echter vrij lang een echte uithoek, waar niemand naar toe ging om naar plant of dier te kijken. Op 23 juli 1860 veranderde dat. Een groep in die tijd zeer prominente leden van de Nederlandse Botanische Vereniging streek in ons dorp neer, van waaruit ze niet alleen excursies "in de rigting der Pruisische grenzen, door de buurtschappen Henxel en Ratum" maakte, maar ook de buurgemeenten introk.
De vijfdaagse excursie leverde een eerste plantenlijst met 475 soorten op voor Winterswijk en omgeving op. Zo'n 40 jaar is er niet veel meer bekend geweest, dan wat deze heren in hun verslag hadden vermeld. Dat blijkt b.v. uit het blad De Levende Natuur, dat in 1896 door E. Heimans, J. Jaspers jr. en Jac. P. Thijsse opgericht. Hierin verschenen vanaf november 1896 lijsten met "Bekende groeiplaatsen der tot de bijgenoemde familien behoorende planten", waarna de soorten familiegewijs werden opgesomd door H. Heukels, die ook een flora schreef, die in bewerkte vorm nog steeds wordt gebruikt. In de lijsten tref je aanduidingen aan als "Winterswijk(Willinkhof)", precies zoals ze voorkomen in het excursieverslag van 1860.
Aan het eind van de 19de eeuw is ook R. de Haan, directeur van de Rijks-HBS, actief geweest. Hij verzamelde tussen 1871 en 1875 planten, die hij gedroogd doorstuurde naar de Nederlandse botanische Vereniging, die een groot herbarium had. In een jaarverslag lezen we over de 22 door hem ingestuurde planten. Twee zaten er nog niet in het verenigingsher¬barium. "Tot de opmerkelijkste daaronder behoorden Boswederik, op tertiaire leem tusschen gras, en Witte narcis, in een laag weiland op diluviaal zand, bij het Meesterboschje (mei 1875). (...) Volgens eene bijzondere mededeeling van den heer de Haan groeide de Narcis op de aangewezen plaats slechts in weinige exemplaren, en is de hoop om haar te zien vermenigvuldigen moeten opgegeven worden, doordien het weiland in bouwland herschapen werd." Tegenwoordig beschouwen we de Witte narcis als een sierplant uit Z. Europa, die wel eens verwilderde.
De Nederlandse Botanische vereniging kwam in 1897, 1925 en 1939 opnieuw voor excursies naar Winterswijk. Dat heeft in 1940 een indrukwekkend verslag opgeleverd, waarin niet alleen een verslag van de laatste excursie werd gedaan, maar waarin alle van 1860 tot en met 1939 gevonden planten in de gemeente Winterswijk werden opgesomd. In 1938 was al "Kotten zoals de N.J.N. het zag" verschenen. De NJN (Nederlands jeugdbond voor natuurstudie) had vanaf 1926 regelmatig kampen in Winterswijk gehouden en legde de verzamelde gegevens vast in dat Kottenboek. Hierin vinden we voor het eerst een uitgebreide beschrijving van de flora en vegetatie van een groot deel van onze gemeente, maar ook de nodige gegevens over paddestoelen, vogels, vlinders en andere insekten. In 1936 verscheen ook nog "De bosvegetatie van de Achterhoek en enkele aangrenzende gebieden", een proefschrift van E. Meijer Drees, waarin we een uitgebreide beschrijving kunnen vinden van hoe de bossen er hier in die tijd hebben uitgezien.
Het lijkt er een beetje op, dat alleen maar mensen van buiten Winterswijk zich intensief met de natuur hier bezig hebben gehouden. Toch hebben voor de tweede wereldoorlog ook twee Winterswijkers een belangrijke rol gespeeld. De eerste, die ik wil noemen is G.J. Meinen, meestal meester Meinen genoemd, die in de buurt van Corle werd geboren. Een belangrijk deel van zijn leven is hij hoofd van de school in Kotten geweest. Bij de meeste Winterswijkers zal meester Meinen beter bekend zijn als dialectschrijver ( hij schreef o.a. de Knelis en Willem-verhalen ), maar hij heeft ook vele prachtige artikelen over natuur en landschap van onze gemeente geschreven. Tussen 1903 en 1918 verschenen zijn impressies regelmatig in De Levende Natuur, lang het belangrijkste natuurstudieblad in Nederland. Deze artikelen geven veel informatie over hoe b.v. het Stemerdinkbos, de Bekendelle of het Korenburgerveen er in het begin van deze eeuw hebben uitgezien. Een iets volledigere beschrijving van de rijkdom kunnen we aantreffen in zijn Gids voor dorpen langs de Slingerbeek en vooral in de Gids voor Winterswijk en omgeving. Meester Meinen komt dan ook uitgebreid aan bod in volgende afleveringen van deze serie.
De tweede Winterswijker, die van belang is geweest voor de natuurstudie, is mr. A. Th. ten Houten. In het derde deel van Wilde planten, nog steeds een standaardwerk over de flora en vegetatie van ons land, treffen we de volgende passage aan: "Een van de rijkste gebieden in deze velden moet het noordelijk deel van het Vossenveld ten noorden van Kotten geweest zijn. Wijlen mr. A. Th. ten Houten, een van de beste kenners van het Winterswijkse land, wist ons te vertellen hoe hier op de met verspreide Jeneverbessen begroeide vochtige heiden wulpen, grutto's, korhoenders en havikken broedden, vossen en adders leefden, en orchideeënrijke schraallandjes lagen." Ten Houten heeft ook een belangrijke rol gespeeld bij de aankoop van het Buskersbos en delen van het Korenburgerveen in de jaren twintig door Natuurmonumenten, waarmee in feite de natuurbescherming hier van start ging.
Natuurmonumenten en het Geldersch Landschap, dat aan het eind van de jaren 20 werd opgericht, hebben inmiddels heel wat natuurgebieden hier kunnen verwerven. Ook Staatsbosbeheer heeft een aantal belangrijke natuurgebieden in bezit. Deze gebieden moeten beheerd worden en daartoe maakt men beheersplannen. Na de tweede wereldoorlog valt dan ook vooral de enorme stapel rapporten op, die deze natuurbeheerorganisaties hebben gemaakt of hebben laten maken. K. Romijn, een Wageningse student, heeft in 1971 in zijn scriptie "Overzicht van natuurgebieden in de gemeente Winterswijk" al deze gegevens samengevat en aangevuld met eigen waarnemingen. Over de terreinen tussen de natuurgebieden werd echter steeds minder geschreven, waarschijnlijk ook omdat er steeds minder te zien was.
Hoe zit het met de Winterswijkers in deze tijd? Uit de plaatselijke NJN kwam in ieder geval de Vogelwerkgroep Zuid¬oost-Achterhoek voort, die onze gemeente systematisch op vogels begon te inventariseren, wat in 1985 het boek "Broedvogels van Winterswijk" opleverde. Aan soortgelijke werken over planten en vlinders wordt inmiddels gewerkt. Wat de natuurbescherming betreft was 1972 een belangrijk jaar. Het waterschap van de Berkel wilde toen allerlei beken rechttrekken, wat op hevig verzet stuitte bij plaatselijke natuurbeschermers. Het leidde o.a. tot de oprichting van de Natuurbeschermingsraad.
Thijsse's artikelen over Winterswijk, het begin van de vogelstudie, de perikelen rondom het bestemmingsplan buitengebied in de jaren 70, het werk van Weeda en Van den Brand, het landschapspark, het verhaal van de Borkense baan. de oprichting van het Platform Natuur en Landschap, het Euregio landbouw- en landschapsproject, de Natuur-, bos- en landschapskartering in de WCL-tijd: veel heb ik in deze inleiding nog niet eens kunnen noemen. Maar in deze serie zal ik uitgebreid ingaan op gebeurtenissen en personen uit de geschiedenis van de natuurstudie van Winterswijk. Ik zal dan niet alleen schrijven over de historie, maar ook aan de hand van de oude verslagen en artikelen verschillende stukjes Winterswijk nog eens bekijken.
|
---------------------------- © copyright Harfsterkamp.nl --------------------------
|
|
|
|