HOME
 
 
 
Natuurgeschiedenis | De eerste floristen in Winterswijk
27.05.10 | categorie: Natuurgeschiedenis

In de laatste week van juli in 1860 hebben leden van de Nederlandsche Botanische Vereeniging om Winterswijk rondgekeken. Zij noteerden alle planten, die zij tegen kwamen en verzamelden zo'n 200 exemplaren voor het verenigingsherbarium. Hun verslag geeft voor het eerst een indruk van de flora van Winterswijk. In deze aflevering van de serie over de geschiedenis van de natuurstudie zullen we de eerste floristen in Winterswijk volgen.

Professor Suringar, een van de deelnemers aan de eerste floraexpeditie naar Winterswijk (bron Wikipedia)

De plantenstudie is al wel wat ouder dan enkele eeuwen. Eigenlijk eeuwenoud als we bedenken, dat de mens altijd planten heeft gezocht en benut, die een geneeskrachtige werking hebben. De zweedse bioloog Linnaeus legde in de eerste helft van de achttiende eeuw het fundament voor het echte plantenonderzoek. Hij deelde vele soorten op basis van verwantschap in geslachten en families in en bedacht wetenschappelijke namen. In Nederland werd David de Gorter door Linnaeus gestimuleerd en publiceerde een aantal flora's, waaronder in 1781 de Flora Zutphanica (in die tijd schreef men in het latijn), die over de planten in de Achterhoek gaat.

Zover mij bekend heeft de Gorter het meest oostelijke deel van de Achterhoek echter niet of nauwelijks bekeken, zodat de eerste plantengegevens over Winterswijk te vinden zijn in het Nederlandsch Kruidkundig Archief, het blad van de Nederlandsche Botanische Vereeniging. Overigens heeft deze vereniging die naam pas in 1867 gekregen. Vanaf de oprichting in 1845 tot aan dat jaar was de naam "Vereeniging voor de flora van Nederland en zijne overzeesche bezittingen".

Het verzamelen van planten stond voorop, maar na 1850 kregen de leden ook meer belangstelling voor de groeiplaatsen van die planten. Excursieverslagen werden tot 1860 niet in het verenigingsblad gepubliceerd, maar R. van den Bosch vertelde op de jaarvergadering zo enthousiast over zijn belevenissen rondom Winterswijk, dat de redactie van het blad het verslag in zijn geheel heeft opgenomen. Daarvoor ben ik ze nu nog dankbaar.

Na een op 22 juli 1860 in Arnhem gehouden zomervergadering van de vereniging stapten de heren v.d. Bosch, Knuttel, v.d. Sande Lacoste, Cop en Suringar in de trein naar Zevenaar. Daar huurden ze een rijtuig, dat hen uiteindelijk naar Winterswijk bracht. "Alhoewel de regen bijna onverpoosd in stroomen nederviel en ondanks den bijna negen uren langen togt, gelukte het toch om eenige botanische observatiën te maken." Als een van de tochtgenoten een aardig plantje langs de kant van de weg zag, riep die "Houd koetsier", zodat er even uitgestapt kon worden om de plant van nabij te bekijken of te plukken. Zo zagen ze op afgestoken slootkanten bij Varsseveld Vetblad staan, het kleine vleesetende plantje met de paarse bloemen dat hier toen overal op wat vochtigere plekken was te vinden.

In Winterswijk werd het hoofdkwartier gevestigd, waarna de heren op zondag Henxel en Ratum introkken. "Het terrein bood veel afwisseling en terwijl de wandeling dan eens door en langs bouwland, dan weder door kreupelhout en bosschen, of over hooge heidegronden en langs min of meer veenachtige heideplassen voerde, deed zich zoo doende de gelegenheid op, om de flora der streek in zeer verschillende vormen te leeren kennen." Als je nu door hetzelfde gebied fietst is er van enige afwisseling nog wel sprake, al zijn het nu vooral weilanden, bosjes en wat houtwallen, die je er tegenkomt.

De heidevelden zijn rond de eeuwwisseling verdwenen. Het relatief open gebied langs de Steengroeveweg en de Beckeringweg herinnert eraan, evenals namen als Vosseveld en Masterveld. Op een enkele plek is nog een heideplas te vinden, al is die nauwelijks meer veenachtig te noemen. Met het kreupelhout zullen wel dichte houtwallen bedoeld worden, dus geen rijtje bomen, maar bomen met daaronder een dicht struweel van struiken. In die tijd zullen dat nog hakhoutwallen zijn geweest, wat betekent dat ze afhankelijk van de houtsoort één keer in de 10 á 20 jaar werden gekapt, waarna de stobben opnieuw konden uitlopen. Nu is dat om allerlei redenen niet meer gebruikelijk.

Tegenwoordig moet je voor veel verschillende planten en dieren naar de natuurgebieden, maar in 1860 konden de heren nog overal terecht. Zo kwamen ze op bouwlanden o.a. Vrouwenmantel en Dreps tegen. Dreps is een soort gras, dat vooral in roggeakkers groeide, maar net als vele andere akkeronkruiden na 1950 sterk is achteruit gegaan. Aardig is ook de waarneming van de Dwergbloem, Draadgentiaan en Geel Cypergras op "een zoo het scheen van tijd tot tijd door een naburig beekje overstroomd plekje". De laatste soort is inmid¬els verdwenen uit ons land, terwijl de andere twee zeldzaam zijn geworden. Ze behoren tot het kleine grut van de Nederlandse flora, dat langs en op zandwegen en in karresporen groeide. De toegenomen bemesting heeft dit kleine grut tot een uiterst bedreigde groep gemaakt.

Voordat de gedachte gaat overheersen, dat alles wat V.d. Bosch en co in 1860 hebben gezien is verdwenen, gaan we kijken in het bos bij Willink. Gemeld worden soorten als Blauwsporig bosviooltje, Bosanemoon, Grote muur, Viltroos, Bosklaverzuring, Groot heksenkruid, Heelkruid, Slanke sleutelbloem, Boszegge en Boskortsteel. Al deze soorten zijn nu nog in de omgeving van Willink te vinden. In het excursieverslag is niet aangegeven hoeveel van deze planten tijdens de wandeling door Ratum en Henxel zijn gezien, maar van een soort als Heelkruid staat wel vast dat er van achteruitgang sprake is. Tot in de jaren zeventig is deze plant in vele bossen in Ratum, Kotten en Woold aangetroffen, maar nu heeft die zich teruggetrokken in de bossen, waar kalk in de ondergrond zit.

In het algemeen kan echter wel gesteld worden dat de verarming van de flora in de bossen langzamer is gegaan dan in de velden. Zeker, er zijn meer stikstofminnende planten aan te treffen, die de oorspronkelijke bosflora verdringen of minimaliseren en ook de verdroging leidt vaak tot een sterk veranderend vegetatiepatroon. Wanneer de ondergrond echter nog redelijk vochtig is, en dat geldt vooral voor de beekbossen, valt op dat de zeldzamere en vaak voor deze bossen kenmerkende bosplanten zich handhaven. Niet altijd in groten getale, maar ze zijn er tenminste. Het natuurlijk potentieel in die bossen is er dus nog, wat betekent dat er hier kans is op herstel. Om de oorspronkelijke flora van de voedselarme zandwegen terug te krijgen is heel wat moeilijker, misschien wel onmogelijk.

Dichtbij de boerderij, die de excursiegangers Willinkhof noemden, stuitten ze op een leemput. Dit moet wat we nu het Staringpoeltje noemen zijn geweest. De geoloog Staring heeft er wordt wel gezegd de schop ooit in de grond gestoken, waarmee in feite de historie van de steengroeven begon, hoewel die pas veel later werden gegraven.

Winterswijk was dan wel hoofdkwartier, er gingen ook excursies naar omliggende plaatsen. Op de derde dag werd nog het Kolenbergerveen bezocht, zoals toen het Korenburgerveen nog werd genoemd. "Hier vertoonde zich de Rijsbes, dikwerf in het water groeijend, in fraaije, krachtige struiken van 1 - 1,5 el hoogte, sierlijk door de talrijke jarige takken met hare fraaije van onder witte, van boven donker groene glanzige bladeren." Zo zou ik het nog steeds kunnen omschrijven. Op de venen kom ik in deze serie nog wel eens terug.

V.d. Bosch en zijn metgezellen troffen tijdens de twee grote excursies, die ze hier hielden en daarvoor en daarna vanuit hun rijtuig 350 plantensoorten aan, waaronder enige cultuurgewassen. Dat is geen onaardig resultaat. Hun soortenlijst zal in ieder geval het uitgangspunt zijn van een samen te stellen flora van Winterswijk, die hopelijk voor het jaar 2000 nog zal verschijnen.


---------------------------- © copyright  Harfsterkamp.nl --------------------------
   
Zoeken op Harfsterkamp.nl:
 
 
 
omslag De winter wist van geen wijken

Samengesteld en geschreven door Bernhard Harfsterkamp
Met foto's van Steven van den Brand
Nog steeds verkrijgbaar bij de plaatselijke boekhandel
 
rustplaats voor auto's

gespieste appels bij de Tricot


belangstellende meeuw


 
Nieuwste artikelen:
24.08.10 - Beekprikkel | Kastanje
23.08.10 - Natuurdagboek | Enkele bloeiende planten van de natuurkalenderroute
22.08.10 - Zweden Beekprikkel 38 | Afwasmachine
21.08.10 - Grensganger | Een Twitter-feuilleton 51 tm 75
20.08.10 - Tovenaars 12 | Ziekenhuis
19.08.10 - Literaire zwerftocht | De hoofdige boer in Almen
18.08.10 - Beekprikkel | Meisjes met rode haren
15.08.10 - Zweden Beekprikkel 37 | Storm
14.08.10 - Ontspanning | Heel geschikt voor de zomeravond
13.08.10 - Tovenaars 11 | Ondergang
 
  © 2009 WDKcommunication & Bernhard Harfsterkamp